Hongarije

De eerste sporen van wijnbouw in Hongarije gaan terug tot de 1e eeuw voor Christus. Het waren de Romeinen die ontdekten dat onder andere de streek rond het Balatonmeer bijzonder gunstig was om aan wijnbouw te doen.

De kwaliteit van de wijnen kon wedijveren met die van het Italiaanse schiereiland. Dat zorgde ervoor dat keizer Domitianus in het jaar 92 na Christus het bevel gaf om alle wijnstokken te vernietigen. Het zou zo’n 200 jaar duren vooraleer er terug sprake kon zijn van wijnbouw. Toen de Hongaren er zich kwamen vestigen in het jaar 894 en ze kort nadien ook het christendom overnamen kwam de wijnbouw in volle expansie.

Gedurende de volgende eeuwen werd de wijnbouw positief beïnvloedt door tal van volkeren die zich in het Karpatenbekken kwamen vestigen. Nieuwkomers uit onder andere Italië, Bourgondië, Anjou en de Rijnvallei brachten hun kennis en wijntechnieken met zich mee. Om de kwaliteit en de tradities te bewaren was er al in 1271 sprake van keurmerken en commissies.

 

 

De bloei in de middeleeuwen werd volledig teniet gedaan door 150 jaar Ottomaanse bezetting. In die periode nam Tokaj, dat niet bezet werd, het voortouw in de productie van de mierzoete Aszú-wijnen. Die trouwens bijzonder in de smaak vielen bij de Zonnekoning, Louis XIV. In 1655 was er voor het eerst sprake van beschermde herkomstbenamingen, met strenge straffen voor fraudeurs. Tijdens de periode van de dubbelmonarchie met Oostenrijk (1867-1918) werd de wijnbouw geprofessionaliseerd op vlak van viticultuur, wijnmaken, regelgeving en export.

Ook de Hongaarse wijngaarden bleven niet gespaard van de phylloxeraplaag. Het land telde op dat moment zo’n 380.000 hectare wijngaarden. Graaf Zsigmond Teleki uit Villány zorgde mee voor de oplossing, namelijk resistente Amerikaanse onderstokken gebruiken om de Europese soorten op te enten.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er opnieuw donkere tijden voor de Hongaarse wijnbouw. De Sovjets wilden zo veel mogelijk productie er werd dan ook onbedachtzaam heraangeplant, wat desastreus was voor de kwaliteit van de wijnen.

Sinds de toetreding tot de Europese Unie (2004) en de vernieuwde apellatiewetgeving (2011) gaat de kwaliteit van de wijnen en de ontwikkeling van de wijnregio’s in stijgende lijn.

De wereldberoemde zoete Tokaji Aszú, de alomgesmaakte Bikavérs, maar ook Kadarka, Juhfark of Cabernet Franc. Het zijn maar enkele van de vele stijlen en druiven die zich hier helemaal thuis voelen. De Hongaarse wijnstreken zijn zo uniek en divers dat ze zich kunnen meten met de meest gerenommeerde wijnregio’s ter wereld.

 

Enkele cijfers

Oppervlakte wijngaarden: 62734ha in 2020 (21ste plaats wereldwijd)

Productie: 2,7 miljoen hl in 2020 (14de plaats wereldwijd)

Wit: 70% Rood: 30%

Belangrijkste druivenrassen: Kékfrankos 12,2%, Cserszegi Fűszeres  6,5%, Olaszrizling 5,6%, Furmint 5,9%, Cabernet Sauvignon 3,9%, Irsai Olivér 3,6% Chardonnay 3,5%, Merlot 3,4%, Hárslevelű 2,4%, , Cabernet Franc 2,3%, Pinot Noir 1,9%, Kadarka en Syrah